Het Frankrijk van de twee snelheden

27 mei 2017

Hierover wilde ik al veel eerder iets schrijven, maar helaas kwam het daar de afgelopen weken niet van door grote drukte op het werk. Nu alsnog dan maar, zeker omdat dit thema met het verlies van Marine Le Pen bij de Franse presidentsverkiezingen bepaald niet voorbij is.

Waar veel journalisten en anderen zich lange tijd hebben blindgestaard op de tegenstelling links-rechts, ontwikkelde zich in de Westerse samenlevingen (en wellicht ook elders, maar daar heb ik geen zicht op) een hele andere tegenstelling - die tussen de mensen die zich prima thuis voelen in die snel veranderende samenleving en diegenen die zich achtergelaten, ja zelfs verraden voelen door de politiek en de hele maatschappij.

Ik werd getroffen door dit fascinerende artikel van Christopher Caldwell in City Journal over Christophe Guilluy, een Franse geograaf die in zijn boeken de kloof blootlegt tussen het gemondialiseerde Frankrijk van de grote steden en het wegkwijnende Frankrijk van het platteland en de geïmplodeerde fabriekssteden, door Guilluy La France périphérique genoemd.

Maar dit is niet alleen een verhaal over economische achterstelling tegenover economische voorspoed. Dit is ook een tegenstelling tussen twee wereldvisies. Waar de bewoners van de mondialiserende grote steden (het idee van) raciale diversiteit omarmen, kritisch tot vijandig staan ten opzichte van nationale identiteit, vaak areligieus zijn en economisch uitgesproken liberaal, hechten de bewoners van La France périphérique juist heel erg aan hun Franse en/of regionale identiteit, hebben ze weinig op met andere culturen in hun omgeving (en dan met name die van moslims), en betreuren zij de teloorgang van de Franse industrie door de toegenomen concurrentie vanuit het buitenland. 

Echter, bij de gevestigde politieke partijen zie je deze tegenstelling niet terug. Zowel de 'linkse' als de 'rechtse' partijen geloven vast in de zegeningen van de vrije markt en deregulering, mondialisering en migratie is voor beide stromingen een gegeven en maatschappelijke diversiteit een nastrevenswaardig doel. Wie hier anders over denkt - zijn internationale investerings- en handelsverdragen wel zo'n goed idee? Ondermijnt de massamigratie van de afgelopen decennia niet de cohesie van de samenleving? Om maar wat voorbeelden te noemen - wordt binnen beide stromingen weggezet als niet meer van deze tijd of erger - een racist. 

Guilluy laat zien dat deze consensus helemaal geen consensus is: het lijkt alleen maar zo, omdat de oude (blanke) arbeiders klasse, en de lagere middenklasse, is verdwenen uit de steden en hun plaats is overgenomen door enerzijds migranten en hun kinderen en anderzijds door de zogenoemde creatieve klasse. Het is met name de laatste groep die de oude arbeiderswijken in en om de centra van de grote steden heeft overgenomen. Het gevolg: een grote bubbel van welgestelde hoogopgeleiden die ervan overtuigd zijn dat hun visie op de wereld de juiste is, omdat ze tenslotte nooit worden geconfronteerd met andere geluiden.

Dit is natuurlijk geen puur Frans probleem, zoals ik eerder al aangaf. Het is, denk ik, meer zo dat het Franse electorale systeem bovengenoemde tegenstellingen duidelijker tot uiting laat komen dan dat van bijvoorbeeld Nederland of Duitsland. En dan is er natuurlijk nog het Franse chagrijn over de verloren status in Europa, om maar wat te noemen. Maar de tegenstelling die Guilluy constateert, is naar mijn idee niet van vandaag of gisteren, maar is ondertussen diep geworteld in onze samenleving.

Regelmatig wordt er afgegeven op 'linkse politici', maar zijn ze wel links? Het probleem is de eerder genoemde maatschappelijke consensus, die sinds medio jaren '80 (?) het politieke en maatschappelijke debat domineert, waarin het neoliberalisme de economische thema's heeft gekaapt, en Nieuw Links de sociale en maatschappelijke thema's. Waar bijvoorbeeld de 'oude' PvdA in Nederland zeer sceptisch stond tegenover arbeidsmigratie en open grenzen voor kapitaal, aangezien deze de onderhandelingspositie van de arbeidersklasse ondermijnden, richtte de partij zich na 1968 in toenemende mate op de minder bedeelden elders in de wereld en op allerlei identiteitskwesties als vrouwen- en homo-emancipatie, en later weer op de bestrijding van racisme. Ondertussen verkleurden de stadswijken van de grote steden, voelden de arbeiders zich steeds minder senang in hun wijken en trokken weg - vaak met wrok tegen de sociaaldemocraten, want elke vorm van kritiek op problemen rond migratie werd al gauw weggezet als racisme.

'Links' had zijn traditionele achterban dus steeds minder te bieden. Nu conformeerde 'rechts' zich ook aan deze consensus, maar aangezien diens kiezers over het algemeen wat welvarender zijn en dus minder te maken hebben met de gevolgen van de toestroom van (arbeids)migranten, kwamen die partijen hier nog wel mee weg. De vraag is wel hoe lang nog.

Links is dus verstrikt geraakt in zijn eigen tegenstellingen waarbij de idealen van '68 (internationale solidariteit, anti-racisme, antireligieus, vijandig ten opzichte van eigen tradities), worden gedragen door het partijkader en nieuwe groepen hoogopgeleide stemmers, maar walgen de traditionele linkse stemmers hiervan. (Een quote uit het artikel: 'we may have done nothing for the poor, but we did appoint the first disabled lesbian parking commissioner.')

Dit verklaart ook waarom het in Europa tegenwoordig steeds vaker gaat tussen 'rechts' en 'populistisch rechts' (of hoe je het ook wilt noemen): de sociaal democratie heeft zich volledig vervreemd van zijn achterban en de hoop dat de arbeiders konden worden vervangen door zowel hoogopgeleide als allochtone kiezers is een fata morgana gebleken. De eerste groep is weinig loyaal, de tweede groep gaat vaak niet stemmen - of stemt op kandidaten van de eigen etnische groep.

Het is dan ook een beetje treurig dat het mantra na elke electorale afstraffing weer is dat het beleid beter moet worden uitgelegd. Want dat is nog eens een extra slag in het gezicht van de voormalige sociaaldemocratische stemmers: blijkbaar zijn ze te dom om te begrijpen dat deze partijen het goede met hen voorhebben. 

Terwijl de realiteit precies andersom is: die oude linkse stemmers begrijpen heel goed dat zij voor de sociaaldemocraten hebben afgedaan en niet langer passen binnen de maatschappij zoals het kader van die partijen die voor zich ziet. Zij begrijpen maar al te goed dat hun traditionele waarden (maatschappelijk en economisch) binnen de politieke consensus hebben afgedaan en zij het wisselgeld zijn binnen een transactie die de West-Europese samenlevingen een raciaal diverse, postnationale en postindustriële toekomst moet brengen. 

De vraag hierbij is natuurlijk of de rekenmeesters van de gevestigde politieke partijen zich hierbij niet flink hebben verrekend en de betaalde prijs de baten overstijgt.

Terug naar overzicht